Categorie: Motorgeschiedenis · Leestijd: ~4 minuten
Officieel begon het toen ik twintig was en mijn motorrijbewijs haalde. Maar eerlijk gezegd begon het allemaal al vijf jaar eerder, op een geel-rode Puch met gekleurde golfballen als ventieldoppen.
De Clownspuch
Ik was vijftien toen mijn neef me zijn oude Puch gaf. Hij was geel met rood en zag er een beetje belachelijk uit — vandaar de naam. Hoewel ik er de openbare weg nog niet mee op mocht, vond ik dat totaal niet erg; die brommer was van binnen namelijk een stuk interessanter dan van buiten.
Ik sleutelde eraan zoveel ik kon. Een andere uitlaat, een grotere sproeier, de contactpuntjes afstellen… Niet omdat het moest, maar omdat ik wilde begrijpen hoe zo’n machine werkte. Die nieuwsgierigheid is sindsdien nooit meer weggegaan.
Toen ik zestien werd, haalde ik direct mijn brommerrijbewijs — in die tijd hoefde je daar gelukkig alleen nog theorie voor te doen. Eindelijk mocht ik officieel de weg op.
.
De tweede Puch — een restauratieproject
Niet lang daarna hoorde ik via via dat iemand nog een oude Puch in de tuin had staan. Hij stond daar maar te verroesten, dus ik mocht hem zo meenemen. Waar een ander een wrak zag, zag ik een geweldig project.
Ik besloot de hele brommer uit elkaar te halen. Elk onderdeel werd grondig geschuurd en voorbewerkt. Omdat mijn vader net zijn Morgan had laten spuiten, wilde diezelfde spuiterij de onderdelen van mijn Puch wel meenemen, mits ik ze kant-en-klaar zou aanleveren. Terwijl het frame werd gespoten, poetste ik de chroomonderdelen op tot ze glommen. Daarna kon het opbouwen beginnen.
Het resultaat mocht er zijn: die brommer zag er weer gelikt uit.

De Derbi — mijn eerste schakelbrommer
Via mijn vader hoorde ik dat mijn neef een oude Derbi had staan die hij wilde verkopen. Opgehaald in Hapert. Mijn eerste schakelbrommer.
Het was meteen duidelijk dat dit een andere categorie was. Schakelen, koppeling, een ander soort aandacht op de weg. Ik vond het prachtig.
Maar de Derbi was oud, en had een eigenaardig probleem: de bobine zat verwerkt in het motorblok. Door de warmte had die het zwaar. Onderdelen waren nauwelijks te krijgen. Na de eerste keer dat de bobine het opgaf reed ik naar een brommerzaak in Wehl — best een eind — waar ik met moeite een vervanger vond. De man achter de toonbank vertelde me dat ik geluk had, en dat de kans klein was dat ik er nog een zou vinden.
Dat bleek te kloppen. Niet lang daarna gaf de bobine opnieuw de geest.
De Derbi Senda SM
In dezelfde zaak in Wehl stond een Derbi Senda SM. Weinig gereden, gunstige prijs. Origineel zat er een geknepen uitlaat op en een enorm tandwiel aan het achterwiel — onderdelen die bedoeld zijn om de brommer langzamer te laten lijken dan hij is. Die heb ik vervangen voor de originele onderdelen, waardoor hij misschien nét iets harder liep dan bedoeld.
Dit was mijn tweede en laatste schakelbrommer. En eerlijk gezegd de leukste uit die periode.

[Foto toevoegen — Derbi Senda SM]
Met de Senda maakte ik al tourtochten. Een vriend reed een Derbi GP-replica, ik op de Senda. We trokken erop uit, planden routes, reden gewoon. Terugkijkend was dat de kiem voor wat later de Advadi Motortour zou worden.
Wat ik ervan meenam
Die brommerjaren hebben me twee dingen geleerd die ik tot op de dag van vandaag meeneem: dat je een machine begrijpt door hem open te maken, en dat een goede rit nog beter wordt als je hem met iemand deelt.
De Clownspuch staat er niet meer. De Derbi’s ook niet. Maar de gewoontes zijn gebleven.
